Het water is allang zo koud niet meer.

Op de vensterbank, 
haar  rug tegen het koude glas, 
Kuiten tegen de warme radiator, 
Zit ze stil.

Ze zit hier al een uur of wat, 
Verder doet ze niets.
Ze leest niet, ze denkt niet, 
Ze luistert wat, maar de beweging in haar hart.
Terwijl de woorden in haar hoofd vormen

'Welk een wonder is het, dat iets dat van binnen zo turbulent kan zijn, aan de buitenkant kan zijn als een stilstaand water. Een vijver in een park omringd met bomen, met bamboe stengels aan de waterkant.

Een zinloze nietsigheid, misschien met olie erop drijvend, 
In grote kringen die je lelijk vind, of vies.

Als je je teen erin zou dopen, hoe zou het voelen, dan?
Je kunt de neiging bij jezelf ontdekken, maar doen zul je het niet.
Iets houdt je tegen. Ik, ik houd je tegen.'

Ooit waren haar binnenmeren kraakhelder.
Je keek er dwars doorheen, wat daarbinnen was, dat zag je buiten,

'Waar je je boek las aan de oever en je je voorstelde hoe het was om in mij te zijn.
Het was altijd lente en het was altijd groen. Het ruisde en het stroomde en het was koud, zo fris en sprankelend koud dat alles dat sluimerde in je wakker werd.
En als je ging, aangemoedigd door mijn reikende hand vanuit de diepte dan merkte je, wanneer het al te laat was, dat je de bodem van rots en stenen die je zo duidelijk doorheen het water had zien glinsteren, niet bereikte. Dan moest je zwemmen terwijl ik je telkens genadeloos kopje onder trok, steeds weer, om je uiteindelijk te leren ademen in het water van mijn diepste zijn.'

Ogenschijnlijk onbewogen zit ze hier heel stil.
Het water is allang zo koud niet meer.
De onschuld verloren en vrouw geworden, 
niet langer de waternimf die aan het einde der tijden haar hoofd stootte aan de rand en de gebakken peren zelf moest eten.

'Ogenschijnlijk onbewogen ben ik de vrouw en jij de man die de olie weg zou willen strijken met je hand, over mij haar. In de koesterende geruststelling van een vader die ik niet langer meer wil.
Of wel wil. Ik verlang niet langer meer naar het vergane zoete van het meisje. Omdat ik daar ben voorbij gegaan.

'Gebakken peren smaken bitter.
En het zijn jongens die in de diepte van de meisjes willen duiken.
Aangetrokken door de spiegeling onder het wateroppervlak.
Het zijn mannen die hun eigen koers willen varen doorheen het vrouwelijk slijk.
De stroom die ons ons maakt,  waarin het krioelt van eitjes en larven en baby's die schreeuwen om geboren te worden.'

Een park, een vijver met een laagje olie om weg te strijken en dan weer te vertrekken.

Jou hand in mijn haar gisteren,
Je trok. Je streelde.  En nu ik hier.
De deur sloeg dicht.
Ik keek niet om.

Ik weet dat jij hier niet was te blijven.

0 reacties:

Een reactie plaatsen

 
woord en beeld behoren caroline marike. ongevraagde verspreiding wordt niet op prijs gesteld. Mogelijk gemaakt door Blogger.

Email bij nieuwe post?

Twitter Updates

Meet The Author