Breekbaar porselein



Het was donker, want het was avond, en ze reed voor me in een Volkswagen Lupo. Zelfs op dit late uur zag ik haar lange rode haar, hangend en zwierend naast de stoel. Ze herinnert me aan iemand... Groene ogen, zo stelde ik me voor, zwierend omdat ze veel bewoog. Want naast haar zat hij en hij frunnikte onafgebroken aan haar. Aan haar haar. In haar nek, langs haar wang. Legde zijn arm omheen haar stoel om ook haar andere kant te kunnen aanraken. En in al dat gefrunnik en gepulk was zij vooral ontwijkend.

Het was donker, het was laat. Ze dronk een paar wijntjes op de expositie en hij was trots. Op haar kleurrijke, kinderlijke schilderijen die hingen aan grote lege muren. Op haar. Op de aandacht die ze trok. En uiteindelijk op zichzelf omdat hij degene was die met haar weer terug naar huis mocht rijden,. Hij was vol van haar, die avond. Dat was ‘ie niet vaak en zo kwam het dat zij er niet gewend was aan al zijn bewonderde aandacht en enkel zwierend kon ontwijken.

Terwijl ik achter haar rijd  herinnerde ik me mijn vroege voorliefde voor rossige vrouwen. Groene ogen heb ik ook, en in vroegere tijden, tijden voor de haarverf en de henna, wenste ik me het rode haar erbij. Bad ik tot God om de sproeten. Maar God óf bestond niet, óf verstond mij niet, dus tekende ik ze zelf maar op mijn gezicht, die sproeten, met een bruin kohlpotlood van mijn moeder en zomers bleef ik uit de zon want ‘het echte meisje met rode haren’ bleef vooral bleek in de schaduw om daarbuiten niet te verbranden. Mijn eigen getinte huid verschoot al van kleur in de eerste zonnestralen. Bruin, bruiner, bruinst, welteverstaan.

Op het moment dat duidelijk werd welke kant ik zelf op zou zwieren, ging mijn vader mij, uit pure onmacht, behandelen als een van zijn zijnen, als man. ‘En rossige vrouwen’, zo besloot hij zijn relaas, ‘dat zijn de ergsten. Zorg dat je nooit in handen komt van een rossige vrouw. Want zij zijn het eerste en zuiverste dat God schiep. Onaanraakbaar waren ze, en onaanraakbaar zijn ze gebleven. Eva was rood en het was Adam die viel.’

Daar, in de schaduw van haar parasol, bezit ze een schoonheid van het slag waar je, als man, zo stel ik me voor, jarenlang blind aan voorbij loopt tot het moment dat je ogen de hare raken, je uren later bij wijze van ongeluk of dronkenschap in haar kamer belandt, zij haar haar losmaakt en je de intens pure schoonheid van haar onaangeraakte ongereptheid toont. Wanneer dan de zon zachte lijnen tekent op haar fluwelen scharlaken huid, de ochtend dat je naast haar ontwaakt, vraag je je af hoe het je ooit gelukt is zonder haar te leven, hoe het kon dat je bestond buiten de magie van haar wereld. Haar intens pure aanwezigheid, zo naast je in het ochtendlicht, het duizelt je. Daar en op dat moment duizelt ze je als ademde je al die jaren propaan en stond je nu plots in de zuurstofrijke buitenlucht.

Ze zit naast je in de auto nadat ze bejubeld en toegejuichd werd door de bezoekers op het debuut van haar kunstenaar-zijn, daar waar zij floreerde in haar eerste echte openbaarheid. Waar ze, voor het eerst, zo bedenk je je, een jurk droeg in een kleur groen die de voornamelijk zo zachte blik van haar ogen nu iets spannends gaf, zo zag je. Een laag uitgesneden rugdecolleté streelt haar blanke huid, want zij is het slag vrouw dat zich geen zorgen hoeft te maken over storende bhbandjes omdat de moeder natuur haar schepte met een stel kleine, ferme borstjes, pront in hun kracht, ook zonder ondersteuning. Borstjes in jouw handen. Zo dadelijk. Thuis.

Na je jaren gestoord te hebben haar neuroses en eigenwijze manier leven, haar koppigheid en haar preutsheid, haar a-ritmische manier van dansen, al die kleine irritaties en twijfelachtigheden verdwijnen nu, want nu is ze er, ze was er verdorie, vanavond. Als openbaarde ze zich plots op een poloraid foto, na jaren in het ondoorgrondelijk zwart getuurd te hebben. Ontwikkelde ze zich buiten jouw blik tot een vrouw van de wereld, terwijl ze trouw bleef aan haar natuur en aan jou. Voorzichtig nipt ze van het het glas prosecco in haar hand en je kunt je ogen niet van haar afhouden. De magie van die eerste nacht overvalt je opnieuw, ze overvalt je met de kracht van vergeten duizeling. Je kunt geen woord uit kon brengen, enkel verlang je naar het zachte vlees van haar blanke billen waar je, wanneer je met je hand over haar ontblote rug zou strijken, zo direct en ongemerkt...

Ze zit naast je in de auto en je kunt niet van haar afblijven. Haar zachte hals, de lijn die haar kaak maakt, losgeraakte lokken over haar ranke schouders. Het is allemaal van jou. Je drift overvalt je, plots in deze nacht. Een drift ontvlamd in de angst haar te verliezen, want ergens weet je. Er opende een deur, die avond. Blikken van de mannen dansen voor haar ogen, mannen met veilinghuizen, mannen met ateliers, mannen met geld en op maat gesneden pakken, mannen te midden van de wereld die nu ook de hare was geworden. En daar stond je dan. En je weet, ik hoor hier niet. Niet meer haar middelpunt, ze verschoof ze je naar de buitenwijk waar het servies al gekocht is voor de kraakheldere nieuwbouwwoning in de kindvriendelijke wijk, maar waarin zij niet langer met je wonen wil. En daar in de ongemakkelijkheid van je nieuwe huisvesting waar het galmt van kou en leegte, drink jij je biertje en drinkt zij haar prosecco niet langer met jou - die mierzoete troep zei ze toch - maar met de anderen.

Ze zal de auto aan de kant zetten. In de beheerste zelfverzekerdheid van een besluit. ‘Vanaf hier is het niet zo ver lopen meer naar je huis’, je hoort het haar zeggen, haar stem in het donker, en dagen later hoor je haar woorden nog nagalmen in je kop. ‘Je kunt morgen je spullen halen, ik zal er niet zijn. Het spijt me. Het stopt hier.’

Weer duizelt je het. En het blijft je duizelen, terwijl je loopt, in je eigen stilte naar je huis en je denkt aan het wit porseleinen servies. Waar ze naar staarde, verlangend in stilte, op een avond terwijl jullie wandelden door de stad, waar het stond in een etalage. Je kocht het, natuurlijk kocht je het, je onderwijl angstvallig verwonderd afvragend hoe een mens zo weinig kon willen in het leven. Het wachtte in de kofferbak, ingepakt en wel, rode linten op wit linnen, wachtend op de avond na dit debuut.  Daar en dan leer je het antwoord op je vraag. Geen enkel mens wil zo weinig van het leven en soms sparen vrouwen onderwijl slechts hun uitzet bij elkaar.

De rode Lupo draait achter me de weg op. En rijdt naar huis. Het witte porselein rammelt in de kofferbak.


0 reacties:

Een reactie posten

 
woord en beeld behoren caroline marike. ongevraagde verspreiding wordt niet op prijs gesteld. Mogelijk gemaakt door Blogger.

Email bij nieuwe post?

Twitter Updates

Meet The Author