complexe ruimten



De jongen en ik, ik geloof dat wij wonen in een complex van ruimten. ’t Lijkt van zand te zijn, het huis waarin wij wonen. Misschien is het aan zee of in de duinen. Ik ga vaak zwemmen en dan vooral ‘s nachts. Hij leest zijn boeken. Onder het open raam bij het ruisen van de zee. Ik hoor wel eens hoe hij zijn boeken leest, als ik stil op het voeteneind van zijn bed zit. Hij leest niet hardop en in de branding hoor ik een verhaal. Ik weet niet of wij hetzelfde lezen. Ik weet niet of wij hetzelfde verhaal zijn. Hij wil me er niet over vertellen.

Soms wil ik met de professor spreken. Of met de anderen die er wonen. Over verhalen die verteld worden maar niet aan elkaar. En niet bij elkaar passen. Hoe raadselachtig dat kan zijn. Dan wil ik zoeken naar het antwoord op het mysterie van bereikbaarheid. En niet bereikbaarheid. Van vermogen en onvermogen. Waarom raken twee mensen elkaar en twee andere niet? Hij intrigeert mij, de professor. Maar ik bereik hem niet, ik krijg hem er nooit echt over te spreken.

De mensen hier zijn in twee groepen onder te verdelen. In zij die spreken van maakbaarheid en zij die spreken van een lotsbestemming.

Wanneer ik dan soms zo aan het voeteneind van zijn bed zit, vraag ik hem er wel eens naar. Naar zijn positie, naar waar hij staat. Meestal spreekt hij in raadselen. Het lijkt of iedere vraag van mij een uitnodiging is naar een totaal iets anders van hem. Alsof het balletje dat ik opgooi ergens in het luchtledige blijft hangen maar wel reden is tot zijn verhaal. Hoe God hem vond. En hoe hij geloof vond. En hoe alles steeds maar beweegt. Hij is deel van het mysterie. Er zweven een boel balletjes in de lucht. Ik kan hem niet bevatten tot waar hij reikt. Zoals hij ook mij niet bereikt in mijn verlangen naar een stabiel midden. Waar balletjes geruisloos hun plek vinden.  Een centrum zo stil als het enkel kan zijn wanneer twee mensen elkaar omhelzen. In al dat ze zijn. Met al dat ze zijn. Ik zoek naar de stilte waarin alles samenvalt. Maar hij lult er weer door heen. Of hij pakt met een uitgestreken gezicht zijn boek op. Dan ga ik zwemmen.

Ik moet zwemmen. Woedend maakt hij me. En razend ben ik onder het gevoel dat ik niet aan kan wijzen waarom hij me zo woedend maakt. Ik wil het hem voor zijn voeten gooien maar er is geen strijd aan te gaan met mijn woede. Ook daarin bereiken we elkaar niet.

In haar woorden las ik zo even hoe ze god vermoorde. Zijn bloed gutste over de dorre grond. Ze kreeg het ongevoede kind dat ze was in haar eigen schoot teruggeworpen.
Ik ken dat. En ik weet ook niet hoe. Sinds kort los ik het op met eten. Daarvoor met dramatische toenaderingen . Het helpt niet. Het zorgt er vooral voor dat ik naast het lot dat ik draag ook mijzelf ga verafschuwen. We zakken samen in de misselijkheid van vraatzucht. Dit is oud en het is het gebrek aan werkelijk voeding. Ik wil dat er iemand van me houdt. Iemand die ik kan beantwoorden. Stromend. Iemand waar ik niet zo boos op ben.

Van de stervende god wil ze horen waarom. Hij antwoordt dat ook hij niet weet waarom. Hij sterft zijn dood met haar hak op zijn keel. Ik wil haar schrijven. Spreken, zien. Maar ik weet ook niet waarom. Ik weet alleen dat niemand anders het ooit gaat kunnen. Misschien even, misschien als voorbeeld. Ik zou willen dat ik het kon, voor haar. Haar kon helpen voeden,  zo, dat ze niet langer zou hoeven weten waarom. Maar we zoeken, vinden en na het verlaten zijn we altijd weer alleen met diezelfde vraag. En ik kan haar niet helpen want ik ben boos op ieder die dichtbij komt.

Ik val niet meer. Ik ken geen levende god, dus kan ik hem niet vragen of vermoorden. Ik geloofde in liefde. Nadat ik de grond bereikte in het verlies van die liefde kan ik niet dieper meer vallen. Het dieptepunt is zwaar en log en ik zou het willen haten maar ik heb de kracht niet meer het anders te willen dan zo het gebeurt. Ik val niet meer. Ik zak weg.

Ik zwem woedend in de zee en roep de golven aan. Ergens klinkt zijn stem. Draai het om, zegt hij. Stel de vraag. Aan jezelf. Hij heeft gelijk, maar hij weet niet. Hij weet niet van samenkomen.

Het is windstil. Het water spiegelt. Geen golfje te bekennen en in dit gebrek aan weerstand voelt mijn woede compleet zinloos.



Zij vermoord God, ik zwem woedend in stilstaand water en hij leest een boek. Ik heb geen flauw idee waarom.

0 reacties:

Een reactie posten

 
woord en beeld behoren caroline marike. ongevraagde verspreiding wordt niet op prijs gesteld. Mogelijk gemaakt door Blogger.

Email bij nieuwe post?

Twitter Updates

Meet The Author