woensdag 30 november 2011

Hoe ik een witdonzen hel ontloop. Of daar in elk geval pogingen toe doe.

Ik sleur mijzelf de deur uit. Iedere ochtend, nadat ik thuisgekomen ben iedere avond nog eens en, wanneer ik heb de pech heb ’s middags nog even thuis te komen, dan ’s middags weer opnieuw. Ik kom overal steeds later omdat het me steeds meer moeite kost, dat sleuren.

Iets in mij wil duidelijk nergens heen, maar ik blijf sleuren omdat ik denk dat het beter is iets te blijven doen dan mijn hoofd onder mijn dekbed te leggen en een tijdje niet op te staan. En omdat ik nou eenmaal verantwoordelijkheden heb en niet ziek ben. Dus sleur ik mijzelf uit bed, nadat de wekker gegaan is, sleur ik mijzelf naar het koffieapparaat omdat ik denk dat koffie helpt, sleur ik mijzelf in de douche, in de kleren en de deur uit.

Ik ben moe, moe van het sleuren en moe van het denken dat dit wellicht een winterdepressie is, al dit gesleur. En doordat ik moe ben komt die gedachte in een cirkelbeweging vast te zitten en denk ik de godganse dag aan winterdepressies. ’t Is moeilijk mijzelf uit die gedachte te sleuren.

Ik probeer het wel. Dan denk ik aan de zomer, aan de zon, aan Frankrijk. Aan reizen en lachen en dansen. Aan fijne mensen en aan de liefde. En daar aangekomen begint mijn hart te bonzen in een lege ruimte van gemis zodat ik het liefst mijn hoofd onder mijn dekbed leg om een tijdje niet meer op te staan. Maar daar is het niet beter.

Zoals een vriend ooit tegen me zei toen ik de zaak dramatisch op de spits aan het drijven was en aankondigde dat ik niet verder wilde leven: ‘Ja. En hoe weet je zeker dat het daar dan beter is? Misschien is de hel daar nog 3 keer erger?’

Nee. Ik weet niet wat er komen gaat na 3, 6, 13 dagen donzig dekbed en oordopjes en oneindig zwart van het slaapmasker dat ik draag in bed. In elk geval is het niet wat anderen doen. Op dit moment lijkt dat me het veiligst; doen wat de anderen doen. Alleen vallen mijn ogen om de drie stappen dicht, zijn mijn zolen van lood en is mijn wereld grijs. Maar als we allemaal even doen alsof dat niet zo is, dan sleur ik onderwijl nog even door en is het zo 2012.

‘Ja. En hoe weet je zeker dat het daar dan beter is? Misschien is de hel daar nog 3 keer erger?’


donderdag 17 november 2011

Er dansen enen en nullen over mijn scherm...

'Misschien is het beter wanneer jij dit vak laat vallen', sprak mijn wiskunde leraar vermoeid. Ik zat in 3 Havo en dat zou ook nog even zo blijven. Wiskunde proefwerken kreeg ik zonder uitzondering terug met een 2 in de rechterbovenhoek, vriendelijk rood omcirkelt met daaronder geschreven: 2 punten voor de moeite. 1 voor de jouwe en 1 voor de mijne. Die 2'en voor wiskunde samen met de 4 voor economie brachten mijn gemiddelde flink omlaag en er was geen twijfel mogelijk; zonder wiskunde in mijn pakket kon naar de vierde, mét zeker niet.

Toen ik, na vele jaren middelbare school en met uiteindelijk toch een vwo diploma op zak, naar de universiteit zou, haalde het wiskunde drama me genadeloos in. Zonder wiskunde geen statistiek, en zonder statistiek geen psychologie.


donderdag 10 november 2011

bericht ontvangen

Ik heb bericht ontvangen:
de afstand tussen jou en mij
hebben ze opgemeten -

ik kan me daar en daar vervoegen
tussen dan en dan,
maar ik moet niet schrikken,
schrijven ze,
en als ik het niet met ze eens ben kan ik omvallen
of anderzins in het ongerede raken -

wat zal ik doen,
wil ik het wel weten
en als hij onbruikbaar is, als ze zeggen
meneer
die afstand is immens,
of juist verschrikkelijk klein, een afstandje van niets,
zal ik dan omvallen
of anderszins ten onder gaan?

Wat moet ik doen
waar moet ik rekening mee houden
wat voor afstanden zijn er trouwens

lichtjaren, millimeters,
en ook nog iets er daartussenin.

Toon Tellegen uit daar zijn woorden voor

dinsdag 1 november 2011

Ik ben een arme sloeber in een bontjas


‘Maar reken niet op champagne en kaviaar hè’, grapt hij aan zijn kant van lijn.
‘Nee. Zég,’ grap ik terug. ‘Zo’n rijke madam ben ik bij lange na nog niet hè?’
Eigenlijk was dit geen grap, natuurlijk.
Vindt ook hij, zo blijkt, wanneer hij vervolgens, een stuk minder grappig nu, zegt: 
‘Nou. Dat weet je anders goed te verhullen.’

Ik stil.
Ow?
Joh.

Dure grap, die vermomming van mij. 

donderdag 13 oktober 2011

Cirkelend, cirkelend ... grond.

Het was er, tussen ons. 
Ik heb met de jaren de liefde leren relativeren en was opgehouden met geloven in haar bestaan, maar onbewust verlangde ik nog immer.
En daar was het. Tussen ons en in ons en het vervoerde me opnieuw.

Levensgevaarlijk want tot duizelingwekkende hoogten. Naar een ijlere luchtlaag van mijn ziel en tot in een diepere diepte in mijn hart dan dat ik voor mogelijk hield. Zo'n bodem waarop je denkt te kunnen staan die dan wegklapt en weer is daar een trap naar beneden. Mijn lijf, mijn vertrouwd neurotisch lijf, ze opende. In een volledig ontvangen en totale overgave tegelijkertijd.

Wanneer je me omarmde duizelde het me. Wanneer je naar me keek, met me sprak, dan smolt het ijs dat binnenin mij postgevat had liep het water over mijn wangen. Soms verloor ik plots de macht over mijn benen, gonsde mijn hoofd  en moest ik even zitten. Liggen. Jouw handen op mijn lijf en ‘je golft helemaal’, zei je dan. Ja. Jij bracht beweging in mijn bevroren binnenwateren. Het stoomde en ik was het water en in de wolken tegelijk.

Maar het was te groot. Te groot voor je hoofd om te bevatten, het joeg je schrik aan en je deinsde terug.
Het was te groot en we bereikten elkaar steeds minder. Beetje voor beetje trok je je terug, mijn geloof in onze liefde passeerde een buigpunt en plots was ik Icarus in zijn val. Af en toe cirkelend op een luchtstoom maar zonder vleugels en dus wel degelijk en onvermijdelijk vallend.

Ik ben op mijn rug gevallen. Daar lig ik, stil, vol ongeloof. Als in dat moment wanneer het kind dat van de schommel valt naar adem snakt en de wereld even stil staat. Een moment. Twee momenten. Drie... voor het start met huilen.

Het was er, tussen ons. En het is er. En jij zegt van niet. En ik geloof er helemaal niets van.

zaterdag 3 september 2011

Van jou was al

Van jou was de eerste hand die ik schudde.
Onnadenkend, een gebaar enkel, nietszeggend een vorm, maar toch;
van jou was de hand die ik het eerst schudde.

Van jou waren de ogen die ik het eerste zag.
Beschouwend, aftastend, onzeker. Ronddwalend maar toch
de mijne zoekend. Nieuwsgierig en reikend.
Van jou waren de ogen die ik het eerste zag.

Van jou kwamen de klanken die ik hoorde.
Jij, boven op de zolder, ik beneden op het gras,
Onverbonden en onwetend nog maar toch,
Van jou kwamen de klanken die ik hoorde.

Van jou was de mond,
De handen,
Het lijf
Jouw lijf.
Mijn begeerte, mijn hunkering,
De zindering, de golven en het genot.

Dit al was al in de eerste hand
Die ik schudde
Die van jou was.


dinsdag 31 mei 2011

En ik hef het glas, op jouw gezondheid. Want jij staat niet

Alleen.

Ik proost mijzelf in de reflectie van keukenraam.

Ga uit eten, zondagavond, onverwacht.
Vrienden en rumoer. Drink teveel wijn, van de weeromstuit.
Was thuis, de afgelopen 3 dagen.
In een koortsige strijd met de gedachten van twijfel en tekort onder de deken op de bank.

Gris, bij thuiskomst, nog snel die 2 boeken ‘die ze echt moet lezen’
uit de kast. In de illusie iets te willlen doen.
In de illusie bij te kunnen dragen.
Weet ik veel wat zij moet lezen.
Misschien dat Tolstoj… Misschien ook niet.
‘Wel dik,’ zegt ze. ‘Ja.’ zeg ik. ‘Wel dik’, en ik knik.

Charlotte Roche. ‘Vochtige streken.’
50% van het gesprek, immers, was seks.
‘Ik ging over mijn nek, van dat boek’.
Of niet-seks. Op. Of onder.
Macht, overgave.
‘Het is het meest intieme dat ik kan doen, met een man’,
Zegt ze. Zij kan het weten, ze doet het al wat langer dan ik met mannen, immers.
Ik weiger nog. Hij ook, vervolgens.
Terug, binnen. Schenk ik een nieuw glas wijn in. Nieuwe wijn, oud glas.
Drink. Mis hem. ‘Nee. Hij belt niet. Sms’t niet. Daar is ‘ie niet zo van.’
‘Waar precies is hij niet zo van?’, vraagt ze. ‘Van reactie?’
‘Nee.’ knik ik. Weet ik al hoe dom ik klink, de laatste tijd?
Ik proost mijzelf in de reflectie van het keukenraam
de avond in. Hef het glas op al dit autonoom geluk.

bezoekers